Gerhilds rubriek 233. Boekweite’janke en boekweitefooi

 

Home  »   Kunst en Cultuur  »   Gerhilds rubriek 233. Boekweite’janke en boekweitefooi

Geplaatst op 12/03/2019

Gerhilds Cultuurrubriek | 233
Boekweite’janke en boekweitefooi

 

1. Boekweitmeel, foto CCSA, Rasbak

Arme grond

De  Schotanusatlas is een begrip. Op de kaarten zijn de wegen, vaarten, sluizen of verlaten, akkers, huizen, plaatsen (boerenhoeves), states, kerken en molens duidelijk te zien. Dat geldt ook voor het Friese dorp Lippenhuizen in voorheen Grietenij Opsterland en nu gemeente Opsterland.  In het Noorden van Nederland werd lange tijd nauwelijks tarwe verbouwd. De arme gronden daar waren geschikter voor boekweit en rogge. Op de akkers bij Lippenhuizen werd boekweit verbouwd. In het Fries is dit gewas bekend als boekweet, boekwyt, bokweet bokweit of bokwyt. De Latijnse naam is Fagopyrum esculentum.

2. Bloeiend Boekweit in ‘biologisch’ Hofgutes Oberfeld, Darmstadt, foto CCSA

Tarwe, rogge en boekweit
Bernardus Schotanus is de zoon van Christianus Schotanus die de basis voor de beroemde Schotanus atlas legde. In de atlas uit 1698 geeft Bernardus dit gebied weer. In zijn Beschrijvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt (1664), staan bij Lippenhuizen ‘Boeck weiten Ackers’ en is de omvang van deze velden goed te zien. Links boven  de akkers is een molen afgebeeld, met daaronder ‘rogmolen’. Het meel van boekweit en rogge werd wel gemengd om pannenkoekjes mee te bakken voor de maaltijd. Het dorpswapen van Lippenhuizen verwijst nog naar het voor deze streek cultuurhistorisch belangrijke gewas boekweit. Op de schuinbalk staat een gouden honingbij met daarboven en daaronder een gouden boekweitzaaddoos.

3. Grutten, gedopte boekweit, Fagopyrum esculentum, foto Mariluna

Boekweitengrôt en boekweite‘janke

Boekweit vormde een belangrijke voedselbron. Vroeger werd er veel pap of brij gegeten als maaltijd, bijvoorbeeld boekweitebrij of –pap, gemaakt van melk en boekweitmeel. Daarnaast at men een Friese boekweitengrôt of boekweiten’janke,  als boekweitpotstro. Dit gerecht werd gemaakt van melk of karnemelk en boekweitgrutten. De gedopte, fijngemaakte boekweitvruchtjes (boekweitzaden) werden in de melk gekookt met een beetje zout erbij. Deze potstro wordt nu als historische lekkernij geserveerd met in een kuiltje in het midden een klontje boter en stroop. Vroeger was er weinig variatie mogelijk voor gezinnen  die op die arme gronden hun kost bij elkaar moesten zien te krijgen. Boekweitenbrij en boekweitengrôt waren in die tijd een voedzame maaltijd.

4. Zaaddragende boekweitplant, Fagopyrum esculentum, foto CCSA

Boekweitefooi en jammerkoren

Er zijn vele tradities op het boerenland. Een daarvan is de zogenaamde boekweitfooi, het maal dat de boeren na het dorsen van de boekweit aan hun knechten en meiden gaven. Het gewas boekweit is kwetsbaar en de oogst ervan niet vanzelfsprekend. Dat moest gevierd worden. Boekweit bloeit prachtig wit of roze. Het is geen graan, maar een pseudograan uit de duizendknopenfamilie. Het fraaie gewas wordt wel jammerkoren genoemd omdat de opbrengst zo onzeker bleef. Goede boekweitoogstjaren wisselden af met slechte jaren als de weersomstandigheden niet goed waren. Daar konden de boeren op de arme gronden niets tegen ondernemen. In: “Spreekwoordenboek der Nederlandsche taal, 1, 67a [1858* van P.J. Harrebomée staat: ‘Met boekweithalmen is ‘t kwaad boeken schrijven’, die uitdrukking verwijst naar de onzekere opbrengst.

5. Fagopyrum esculentum, Botanische tekening, Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé. Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz 1885, Gera, Duitsland

Aanwaaien en boekweitrekening

In de negentiende eeuw werd veel landbouwtechnologie ontwikkeld. Deze eeuw was gericht op vooruitgang en nuttigheid (utilitarisme), waarbij het concept van de mens als economisch wezen of homo oeconomicus centraal stond. Vele publicaties en advertenties wijzen op nuttige zaken, ook. de “Almanak voor landbouwers en veehouders” uit 1848 van W. Eekhoff,** Leeuwarden. Voorin staat: “bevattende vele nuttige zaken, om van den landbouw en de veeteelt de meeste voordeelen te trekken. Derde jaargang. Niemand kan alles weten; maar, als wij willen, kunnen we elkander veel leeren uit onze kennis en ondervinding; al ware het enkel, hoe wij ons voor dwaling en schade kunnen hoeden.” Op pagina’s 174-175 van deze almanak staat: “Eene boekweit-berekening, eindelijk, is eene niet onaardige uitdrukking om eene zeer onzekere berekening, die ligt tegenvallen kan, aan te duiden; daar de boekweitteelt buiten twijfel een zeer wisselvallige en onzekere verbouw is.” Ook “De boek weit moet er aanwaaijen”, wordt uitgelegd: “eenige’ wind is voordelig bij het zetten van de boekweitkorrel”.

Gerhild van Rooij

Noten
*dbnl
**’Gerhilds cultuurrubriek 232 . Eekhoff en Saskia’, PlusNu; uitgebreider artikel van de auteur: ‘Dorpsgeschiedenis en kunst 30. Boekweitrekening en Eekhoff 1′, De Harker, februari 2019
Bronnen
In tekst en bijschriften

Een reactie op Gerhilds rubriek 233. Boekweite’janke en boekweitefooi

  • Renske schreef:

    Wat leuk en interessant om te lezen. Er komen bij mij allemaal vergeten herinneringen boven, van de klûtsjebrei bij mijn oom en tante op de boerderij. Mijn neven schepten het zo naar binnen, ik was geen fan. Bij een vriendinnetje thuis waren ze ook nogal dol op alle soorten pap en brij, als toetje gegeten. Zelfs potstro ken ik nog uit dat gezin. Ik sloeg meestal zo beleefd mogelijk over en heb me later nog wel eens afgevraagd wat er toch in die mysterieuze potstro kon hebben gezeten. En nu heb ik eigenlijk wel een beetje spijt dat ik het niet (met wat meer plezier) heb willen proeven… 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *