Column 2. 16 april 1945 dag van vreugde en verdriet (april 2008)

 

Home  »   Columns  »   Column 2. 16 april 1945 dag van vreugde en verdriet (april 2008)

Geplaatst op 19/01/2019

Deze dag staat muurvast in mijn geheugen gegrift. Na het fiasco van de slag om Arnhem, bleek de vreugde om de naderende bevrijding, van korte duur. Na een maandenlange teistering door granaatvuur en bombardementen, werd het in de vroege ochtend van 16 april 1945 plotseling onwezenlijk stil. Het inferno van inslaande granaten had de zenuwen van een ieder die zich ophield in onze schuilkelder, danig op de proef gesteld. Hoelang de stilte duurde kan ik me niet meer herinneren. Opeens drong een ronkend geluid door van zware motoren.

Tot het uiterste gespannen vroegen we ons af of dit de lang verwachte bevrijders waren. Vader kon het niet meer uithouden. Hij moest en zou zo snel mogelijk uit die benauwde, dompige kelder.

Moeder was zo versuft en uitgeput, dat ze niet bemerkte dat ik ook de kelder uit kroop. Vlak langs de huizen sloop ik vader achterna. Plotseling klonk een salvo van een mitrailleur. Stijf van schrik liet ik mij achter vader tegen een muur vallen. Niets bewoog.

Minutenlang.

Opeens hoorden we het geluid van snelle voetstappen. Angstig, maar vooral nieuwsgierig keken we om de hoek van de straat. We waren nog net getuige van de gevangenneming van twee Duitse soldaten, die een soort achterhoedegevecht hadden geleverd. In korte tijd wemelde het van de Canadese soldaten. Over de hoofdstraat rolden tanks en pantserwagens ons dorp binnen. Uit kapot geschoten huizen en hologige vensters wapperden plotseling Nederlandse vlaggen. – Wat een feest! Onderduikers, buren, familieleden, stonden elkaar op straat te knuffelen.

Na de eerste emoties, moest en zou ik naar mijn vriendjes. Zij woonden een paar straten verder. Ik was er immers altijd en ook altijd welkom. Het gezin bestond uit negen kinderen, zes jongens en drie meisjes. In mijn herinnering was ‘t er altijd gezellig en er viel van alles te beleven. Niet verwend door veel luxe was iedereen gewend de handen uit de mouwen te steken.

Zo ook de laatste dagen voor de bevrijding. Aan de overkant stond een huis in brand. Tijdens een korte vuurpauze, trachtten de oudste jongens de inboedel te redden. Als negenjarig jochie hielp ik zoveel mogelijk. Liep ik in de weg? Het zal wel. De vader van mijn vriendjes maakte mij tenminste op niet mis te verstane wijze duidelijk dat ik moest ophoepelen. Terwijl ik naar huis rende begon het granaatvuur weer.

Twee dagen later, een paar uur nadat de Canadese troepen ons dorp hadden bevrijd rende ik naar het huis van mijn vriendjes. In de straat stonden mensen in groepjes te praten. Ze keken niet vrolijk.

Geen vlaggen, de gordijnen gesloten. Terwijl ik thuis in de kelder dekking vond waren de drie oudste jongens, door een voltreffer op hun zelfgebouwde schuilkelder om het leven gekomen.

Hans Roelofs

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *